Delphi (1)

Navel of God’s earth. From our seat
we hear thirsty sparrowhawks splashing.
It sounds as if metals are clashing
and melting in a bluish heat.

A serpent, the Creator’s shame,
slides across flaking masonry,
or else lies there enduringly
amid baked clay pots and bones without name.

The camomile nipples as dry as dust
crumble between our lips.
Finally the savour slips
From taste buds dull with lust.

And then, your left hand in my right,
two last scraps of processed matter,
we ourselves are just food on a platter
in God’s funnel, fireproof and bright.

 

Delphi (1)

Navel der aarde Gods. Wij zitten
en horen sperwers water drinken.
Dat is alsof metalen klinken
en smelten in een blauwe hitte.

Een slang, een goddelijke schaamte,
schuift over schilferende muren,
of ligt te blijven en te duren
bij kleibaksels en geraamten.

De droge tepels der kamille
verpulveren tussen onze lippen.
Het laatst zal ons de smaak ontglippen
uit de verzadigde papillen.

En dan, uw linker in mijn rechter,
twee laatste stofveredelingen,
zijn wij zelf eetbare dingen
in Gods vuurvaste trechter.

From Collected Poems (Verzamelde gedichten, 1974)
By Jos de Haes
Translated by Paul Vincent