Brother

‘It’s hard’, he said, ‘it’s bloody hard.
Unfair too, now at last I’m losing weight’.

Still autumn outside, maize reaching to the horizon.
The word falls, a horizon
Then no word more from him.

The plastic tube in his gullet.
He hiccups for hours. Can’t swallow.

Still some movement in the right hand,
which supports the left like a plump lily.
The hand sticks up its thumb.
He keeps signalling into his final decay.

His skin has turned white like a baby’s.
He squeezes my fearful hand.

I’m just looking for a likeness, still, ours,
her nerviness,
his impatience (no time for time),
the mistrust and gullibility of them both
and I’m back in our earliest past,
in a world like a meadow with frogs in,
like a ditch full of eels
and later bets, dares, table-tennis,
the laws of the house, the 52 cards,
the three dice
and through it all the unquenchable hunger.
(I’m getting old in your stead.
I eat pheasant and smell the woods.)

Now his accommodation is measured.
The machine does his breathing.
Mucus is sucked away.
A rattle out of his midriff,
and then his last movement, a lazy wink.

Transmigration. A disposition. A part cut away.
The body still dwindling
and then all at once in his face that was dead
a grimace, a spasm
and then a taut, savage gaze,
unbearably clear, the fury and terror
of a tyrant. What can he see? Me, a man
turning away, weakly surprised at his tears?
Then it’s morning and they unfasten the straps.
And he then forever

 

Broer

‘Het is hard’, zei hij, ‘godverdomme hard.
En onrechtvaardig, voor het eerst word ik mager.’

Nog de herfst buiten, een maïsveld tot de einder,
het woord valt, einder, eindig.
Dan geen woord meer van hem.

In zijn slokdarm de plastic slang.
Hij hikt uren lang. Kan niet slikken.

Nog beweging in de rechterhand
die de linker draagt als een vette lelie.
De hand steekt zijn duim omhoog.
Hij blijft seinen tot in zijn laatste verval.

Hij heeft wit kindervel gekregen.
Hij knijpt in mijn angstige hand.

Ik zoek nog naar een gelijkenis, de onze,
de onrust van haar.
het ongeduld van hem (geen tijd voor tijd),
beider wantrouwen en goedgelovigheid
en ik beland in ons eerste verleden,
dat van een wereld als een weide met kikkers,
als een sloot met paling
en later weddenschappen, tafeltennis,
huishoudelijke wetten, de 52 kaarten,
de drie dobbelstenen
en aldoor de tomeloze honger.
(Ik word oud in plaats van jou.
Ik eet fazant en ruik het bos.)

Nu is zijn behuizing afgemeten.
De machine ademt voor hem.
Slijm wordt weggezogen.
Een ratel uit zijn middenrif,
en dan zijn laatste beweging, een lome knipoog.

Zielsverhuizing. Een ordening. Een portie afgesneden.
Het lijf nog verminderend
en dan plots in zijn gezicht dat dood was
een frons en een kramp
en dan een gesperde, woeste blik,
ondraaglijk helder, de woede en schrik
van een tiran. Wat ziet hij? Mij, een man
die zich afwendt, laf verbaasd over zijn tranen?
Dan is het morgen en maakt men de riemen los.
En hij dan voorgoed

From Poems 1948-1993 (Gedichten 1948-1993, 1994)
By Hugo Claus
Translated by Tanis Guest

First published in The Low Countries, 2000