Crab

The border of sand and water
is vague with no clear lines.
By a clump of seaweed a white gull
nabs a green crab. Impatiently it pecks,
pecks, pecks the belly open and gorges
on the soft and flaky innards.
Flat-footed it knocks
on the rest of the crab,
which has long since stopped moving:
guts gone, legs hanging loose,
pincers, oh lord, wide in desperation.
That shell was a joke, crab.

Life is an order
and we are never hard enough.

 

Krab

De rand van water en zand
is niet erg precies en nergens is een heldere lijn.
Bij een tros zwart wier pakt een witte meeuw
een groene krab. De meeuw pikt, pikt, pikt
vol ongeduld de buik open en vreet
schrokkerig het zachte, schilferige binnenste.
Hij geeft met zijn platte poot een klopje
op de rest van de krab,
maar er beweegt allang niets meer,
ingewanden weg, poten half los,
tengels, o heer, in wanhoop wijd uiteen.
Dat pantser was een lachertje, krab.

Het leven is een bevel
en we zijn nooit hard genoeg.

From Laat ons drinken (2013)
By Wim Hofman
Translated by David Colmer

First published in The Low Countries, 2015