Daughter and I

We walked both bleeding along Keyserlei.
Daughter and I. No word passed between us,
no misunderstanding. Nor any link
between her silence and my conscious lack of speech.
Only a hand put out to stop me falling.
A stupid stone, she said. Take care.
The child is mother to the woman.

‘I’m blooming’, she said when I tried to tell her
that life is bleeding and cannot be stayed.
She burst out laughing, couldn’t help herself.
But isn’t bleeding somehow blooming too?
And that she hankered after something wanting,
gaiety, nonsense, jabber of boys in the street.

Ewe-lamb upon my lap, how she had grown.
Spring was still barely here and she so blithe.
Weightless we walked like that,
side by side, and hand in hand,
we walked both blooming along Keyserlei.

1. This poem contains an untranslatable play on words. In colloquial ‘Flemish’ Dutch ‘bloeden’ (bleed) and ‘bloeien’ (bloomy) sound the same and are practically indistinguishable.

 

Dochter en ik

We liepen beiden bloedend langs de Keyserlei.
Dochter en ik. Geen woord was tussen ons,
geen misverstand. Ook geen verband
tussen haar zwijgen en mijn gewild niet spreken.
Alleen een hand die me het vallen zou beletten.
Een stomme steen, zei ze. Opletten.
Het kind is moeder van de vrouw.

Ik bloei, zei ze toen ik haar zeggen wou
dat leven bloeden is en niet te stelpen.
Ze klaterlachte, kon het ook niet helpen.
Of bloeden niet een beetje bloeien is?
En dat ze snakte naar gemis,
geluk, gelul, gelal van jongens in de straat.

Ooilam op mijn schoot, wat werd ze groot.
De lente was nog iel en zij zo blij.
Gewichtsloos liepen wij,
zo zij aan zij, en hand in hand,
zo beiden bloeiend langs de Keyserlei.

From Entre deux mers (1997)
By Lut de Block
Translated by Tanis Guest