Evening Rain

There was a gentle dripping in the leaves
As if the summer rain would now begin.
And lazily the twilights glided in
Of showers borne menacingly on the breeze.

The smell of flowers and dampness merged and then
It drifted round the paths like wisps of mist,
Through steam the gable’s red was faintly guessed,
Huge rain-drops dashed against the window pane.

And you: with life there’s nothing can contend.
The shower is heavy in its headstrong fall
Fortunate what’s been saved and stowed away,

But I: see how each rose stands calm and tall,
Sustains the cruel assuagement heaven sends.
Endures and lives to flower at break of day.

 

Avondregen

Er was een zacht gedruppel in de blaren
Of nu de zomerregen zou beginnen.
En traag gleden de schemeringen binnen
Van buien, die ons dreigend overvaren.

De geur van vocht en bloemen vloeide samen
En dreef de paden rond als lichte nevel.
Bleek uit den damp hief zich de roode gevel.
Toen kletsten groote druppels aan de ramen.

En gij: het leven is niet te vertragen.
De bui komt zwaar en driftig nederslaan
Gelukkig wat gered is en geborgen.

Maar ik: zie hoe gerust de rozen staan,
En hemels wreede lafenis verdragen.
Zij dulden sterk en bloeien tegen morgen.

From Collected Poems (Verzamelde gedichten. Amsterdam: Bosch & Keuning, 1987)
By Willem de Mérode
Translated by John Irons

First published in The Low Countries, 2003