Five Poems

Mirroring

A pigeon-feathered sky is mirrored in the sea.
Blue light steams between sky and tranquil sky-reflection

On one and the other side rounds the blade of the shore
Towards a faint horizon of sea, sky, land and haze.

Now memory awakes of a beauty that is lost;
An old feeling returns out of a long dream.

A dream of voices and of faces and of idle sound
And ever-increasing tiredness that one calls life.

‘t Was first an endless longing, a wandering here and there
And then a daily sense of lack, and then not even that.

— The hour is getting later, the dark grows through the grey.
And still a pearl-black sky shadows the twilit sea.

1930

Spiegeling

Een duivenveren hemel weerspiegelt in de zee.
Blauw licht dampt tussen hemel en stiller hemelbeeld.

Ter ene en andre zijde rondt zich de kling der kust
Naar een vervloeiden einder van zee, lucht, land en mist.

De erinnering wordt wakker aan een verloren schoon;
Een oud gevoel keert weder vanuit een langen droom.

Een droom van stemmen en gelaten en gerucht
En steeds vermoeider worden, en dien men leven zegt.

‘t Was eerst een eindloos hunkren, een dwalen her en der,
Werd toen een daaglijks derven, en toen ook dat niet meer.

– Het uur wordt later, ‘t duister groeit door het grijze heen.
Een parelzwarte hemel schaduwt de schemerzee.

1930

From Verzamelde gedichten (Collected Poems, 2001)
By J.C. Bloem
Translated by A. Verhoeff

 

Epitaph

Nameless among the nameless that are legion,
to general sameness seemingly subdued;
to no high seat o’er some unthreatened region
exalted — to no radiant altitude —

The safely sheltered ever and anon
bore with him, or forgot him, but none saw
the shadow of two wings that drove him on,
and in his bent neck the relentless claw.

And now, after desire, tired and outworn,
and lifelong patience under restless strain,
a tombstone, cracked by weeds, and weatherworn
letters and figures filled by the slow rain.

1931

Grafschrift

Een naamloze in den drom der namelozen.
Aan de gelijken schijnbaar zeer gelijk,
Door geen vervoering stralend uitverkozen
Tot heersen in een onaantastbaar rijk –

Wie van die hem vergaten of verdroegen
Ontwaarden uit hun veilige bestek
De schaduw van twee vleugels die hem joegen,
Den fellen klauw in zijn gebogen nek?

En nu, na het begeerde, het ontbeerde,
Na de onrust en het levenslang geduld:
Een steen, door ‘t groen gebarsten, en verweerde
Letters en cijfers, die de regen vult.

1931

From Verzamelde gedichten (Collected Poems, 2001)
By J.C. Bloem
Translated by A. Roland Holst

 

After Liberation

Sheer, bright-shining spring, spring as it used to be,
Cold in the morning, but as broad daylight
Swings open, the everlasting sky
Is a marvel to survivors.

In a pearly clarity that bathes the fields
Things as they were come back; slow horses
Plough the fallow, war rumbles away
In the near distance.

To have lived it through and now be free to give
Utterance, body and soul — to wake and know
Every time that it’s gone and gone for good, the thing
That nearly broke you —

Is worth it all, the five years on the rack,
The fighting back, the being resigned, and not
One of the unborn will appreciate
Freedom like this ever.

April 1945

Na de bevrijding

Schoon en stralend is, gelijk toen, het voorjaar
Koud des morgens, maar als de dagen verder
Opengaan, is de eeuwige lucht een wonder
Voor de geredden.

In ‘t doorzichtig waas overal de brake
Landen ploegen weder de trage paarden
Als altijd, wijl nog de nabije verten
Dreunen van oorlog.
Dat beleefd te hebben, dit heellijfs uit te

Mogen spreken, ieder ontwaken weer te
Weten: heen is, en nu voorgoed, de welhaast
Duldloze knechtschap –

Waard is het, vijf jaren gesmacht te hebben,
Nu opstandig, dan weer gelaten, en niet
Één van de ongeborenen zal de vrijheid
Ooit zo beseffen.

April 1945

From Verzamelde gedichten (Collected Poems, 2001)
By J.C. Bloem
Translated by Seamus Heaney

 

Dapper Street

Nature is for the empty, the contented.
And then: what can we boast of in this land?
A hill with some small villas set against it,
A patch of wood no bigger than your hand.

Give me instead the sombre city highroads,
The waterfront hemmed in between the quays,
And clouds reflected in an attic window —
Were ever clouds more beautiful than these?

All things are riches to the unexpectant.
Life holds its wonders hidden from our sight,
Then suddenly reveals them to perfection.

I thought this over, walking through the sleet,
The city grime, one grey and drizzly morning,
Blissfully happy, drenched in Dapper Street.

October 1945

De Dapperstraat

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend, op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

Oktober 1945

From Verzamelde gedichten (Collected Poems, 2001)
By J.C. Bloem
Translated by James Brockway

 

The Nightingales

I’ve never hoped for bliss that life would bring.
The search for happiness is bound to fail.
What matter? — The immortal nightingale
Is singing in the chilly night of spring.

May 1947

De nachtegalen

Ik heb van ‘t leven vrijwel niets verwacht.
‘t Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.
Wat geeft het? – In de koude voorjaarsnacht
Zingen de onsterfelijke nachtegalen.

Mei 1947

From Verzamelde gedichten (Collected Poems, 2001)
By J.C. Bloem
Translated by A.L. Sötemann

All poems first published in The Low Countries, 2002