For Rika

I only saw you that one time. You sat
In an express train racing like a thief
At top speed past the way train I had caught.
No first encounter ever was more brief.

And yet it lasted long enough for me
To walk on down life’s endless path with rue
Ringing my lips. How could there ever be
Cause more for me to smile, now I’d seen you?

And then, why have to have that flaxen hair,
That is the mark of angels? And besides,
Why those blue eyes, so wondrous deep and clear?
You knew that’s something I cannot abide!

And why go hurtling past in such a rush
And not, like lightning, lift the carriage out
And throw your arms about my neck, and push
Your lips like mucilage against my mouth?

You feared a rail disaster possibly?
But Rika, what could be more glorious than,
Amid infernal thuds and screams, to be
Crushed two together by one selfsame train?

 

Aan Rika

Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart
Gezeten in een sneltrein, die de trein
Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart.
De kennismaking kon niet korter zijn.

En toch, zij duurde lang genoeg om mij,
Het eindloos levenspad met fletsen lach
Te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij
Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag.

Waarom ook hebt gij van dat blonde haar,
Daar de englen aan te kennen zijn? En dan,
Waarom blauwe oogen, wonderdiep en klaar?
Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan!

En waarom mij dan zoo voorbijgesneld,
En niet, als ‘t weerlicht, ‘t rijtuig opgerukt,
En om mijn hals uw armen vastgekneld,
En op mijn mond uw lippen vastgedrukt?

Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp?
Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn,
Dan, onder helsch geratel en gestamp,
Met u verplet te worden door één trein?

By Piet Paaltjens
Translated by Jacob Lowland

First published in The Low Countries, 2008