Holland, they say …

The soil was marshy. We sang about
the lush green grass. What did we know?
One island further on as proof of this

the Biesbosch lay. Mudflats and silt
were closer still. I never went there.
I sat in the class, sung of a land
that lay almost beneath the waves.

At ebb my brother explored the creeks.
I believed nothing of his story.
Wind in the reeds? It was just a song.

My gumboots only came of use,
when there was no land, no luscious fields,
water was all there was. Indoors.
The ooze still lay there weeks on end.

So beautiful, that land? Story’s end.
The polder out of bounds, the school
stayed shut, me scared, the song struck dumb.

 

Holland, ze zeggen…

De grond was dras. Wij zongen van
het puike gras. Wisten wij veel.
Eén eiland verder lag de Biesbosch

als bewijs. Slikken en gorzen
waren dichterbij. Ik kwam er nooit.
‘k Zat in de klas, bezong een land
dat bijna onder water lag.

Mijn broer ging wel bij eb door kreken.
‘k geloofde niets van zijn verhaal.
Wind in het riet? Dat was een lied.

Mijn laarzen kwamen pas van pas,
toen er geen land, geen malse wei,
alleen maar water was. In huis.
weken daarna nog lag er slik.

Zo mooi, dat land? Het einde van het lied.
De polder was verboden, de school
bleef dicht, ik bang, gezang verstomd.

From Op het droge (1988)
By Ad Zuiderent
Translated by Donald Gardner

First published in The Low Countries, 2015

 

Zuiderent’s poem is an ironic commentary on a traditional Dutch song (‘Holland ze zeggen: je grond is zoo dras / Maar mals zijn je weiden en puik is je gras / En vet zijn je glanzende koeien (…)’) in praise of the landscape of Holland that every schoolchild used to know.