Hunt

Flat on its back its long and spoon-shaped ears,
huddled along the furrow lay the hare,
and I, as I came closer to it, pretended,
thus failing in my task as beater,
it had not been seen, not its eyes bulging
with fear, blank as if it saw not me,
not the wide freedom behind me, but
a nothing in itself, a hole it lay in front of,
too deep, too wide to dare to jump across.
Then in a second, once a step of mine
had passed it, it was gone — turning
(cursing from the ditch bank, but no shot),
I saw it running to the horizon,
already lust a dot on white and frozen clay.

What will its end have been? Braised
in wine, under a car or simply
of old age among the cold furrows —
when in spring in the field at home
the hares tumble, I think of it:
how fear can be a sudden source of strength
that frees you right down to your beating heart.
Perhaps, if the hole that grows in me
becomes too deep, too wide to jump across,
by God, a hare will speak for me (for even
a beast that knows fear has a soul that is
saved), if only because I remember
that morning, that one step, and that instinct
with which existence survives by its own strength.

 

Drijfjacht

Plat op de rug zijn lange lepeloren,
gedoken in de vore lag de haas,
en ik, terwijl ik naderbij kwam, deed,
mijn taak van drijver dus verzakend, of
hij niet gezien werd, niet zijn ogen puilend
van angst, blikloos alsof niet mij hij waarnam,
niet achter mij de wijde vrijheid, maar
een niets in zich, een gat waar hij voor lag,
te diep, te breed om nog te durven springen.
Toen, met een stap van mij aan hem voorbij,
in een seconde was hij weg — me wendend
(verwensing uit de slootwal, doch geen schot)
zag ik hem rennend naar de horizon,
al haast een stip op wit bevroren klei.

Hoe zal zijn einde zijn geweest? In wijn
gestoofd, onder een auto of gewoon
van ouderdom tussen de koude voren —
wanneer in ‘t voorjaar op het veld voor huis
de hazen buitelen, denk ik aan hem:
hoe angst een plotselinge kracht kan zijn
die je bevrijdt tot in je kloppend hart.
Misschien zal, als het gat dat groeit in mij
te diep, te breed wordt om te kunnen springen,
bij god, een haas mijn voorspraak zijn (want ook
een dier dat angst kent heeft een ziel die wordt
verlost), al was het maar doordat die morgen
mij heugt, die ene stap, en dat instinct
waarmee bestaan zich redt op eigen kracht.

From Dream Time (Droomtijd, 1999)
By C.O. Jellema
Translated by Paul Vincent

First published in The Low Countries, 2001