Kees the Traveller

Kees buys a passport, stuffs his purse,
and wants to see the world;
hurtles through space and shrinks, by train,
a hundred hours to – ten.

Kees looks around, with reeling head,
and wipes his spectacles;
the whole world seems to lurch and spin
to plague him as he drowses.

Kees gives a moan and rubs his nose,
smells only stench and steam;
and mutters: if I had the choice,
I’d rather take it slow.

Kees plucks up courage, straightens up,
speaks to a passenger,
who glances at him, stiff and proud,
and doesn’t grasp a word.

Kees weighs his purse and heaves a sigh,
yearns for his trusty pipe;
and each red-collared customs man
makes Kees shake in his shoes!

Kees roams great cities, gawping round,
missing now this now that,
he’s shoved aside and trampled on
along the crowded path.

Kees runs with sweat, wears out his legs,
eats food he doesn’t like,
crawls into bed stiff as a board,
and – if only he could sleep!

Kees turns back and longs for home,
curses the alien land,
modestly praises his own wee house,
his own fire on the hearth.

Kees insists folk marvel at his trip;
they grant him all the new
and splendid things he’s … visited? …
No, that he’s passed by.

 

Kees op reis

Kees spekt zijn beurs en koopt een pas,
en wil de wereld zien;
en vliegt door ‘t ruim en maakt, per as,
van honderd uren — tien.

Kees kijkt in ‘t rond en suizebolt
en veegt zijn bril eens af:
‘t is of de wereld draait en toit,
de dommelaar tot straf.

Kees klaagt zijn nood en wrijft zijn neus;
en ruikt slechts stank en stoom;
en ‘t woord ontvalt hem: had ik keus,
dan liever log en loom!

Kees krijgt wat moed en schikt zich wat
en spreekt zijn reisbuur aan;
deez’ gluurt hem toe, Brij stroef en prat,
en kan hem niet verstaan.

Kees wikt zijn beurs en zucht ervan
en derft zijn lange pijp;
en ieder rood-gekraagde man
brengt Kees wat in de knijp!

Kees tuurt in ‘t rond door grote steên
en mist nu dit dan dat,
en wordt verdrongen en vertreên
op ‘t druk belopen pad.

Kees zweet zich dood en loopt zich lam
en eet wat hij niet lust,
en kruipt naar bed verstijfd en stram,
en — gond hij dan nog rust!

Kees keert terug en snakt naar huis,
verwenst het vreemde land,
roemt zedig eigen haard en kluis,
waar ‘t eigen vuurtje brandt.

Kees eist bewond’ring voor zijn tocht;
Men ziet het Kees wel aan,
dat hij veel nieuws, veel schoons,… bezocht?…
Neen, is voorbijgegaan.

From The Poems (De dichtwerken, 1876)
By W.J . van Zeggelen
Translated by Tanis Guest

First published in The Low Countries, 2006