The Mulberry Trees Were Rustling

‘The mulberry trees were rustling’;
God was passing by;
Not passing, no, he tarried;
He knew what I had need of,
And spoke to me;

Spoke to me in the silence,
The still of night;
Thoughts which tormented me,
Which hounded and distressed me,
He quietly put to flight.

Over my mind and soul then
He spread his peace;
In his paternal arms enfolded
I felt cherished and protected,
And fell asleep.

The morning which awoke me
I greeted with a will.
I had slept so serenely,
And Thou, my Sword and Buckler,
Wert near me still.

 

De moerbeitoppen ruisten

‘De moerbeitoppenruisten’;
God ging voorbij;
Neen, niet voorbij, hij toefde;
Hij wist wat ik behoefde,
En sprak tot mij;

Sprak tot mij in den stillen,
Den stillen nacht;
Gedachten, die mij kwelden,
Vervolgden en ontstelden,
Verdreef hij zacht.

Hij liet zijn vrede dalen
Op zielen zin;
‘k Voelde in zijn vaderarmen
Mij koestren en beschermen,
En sluimerde in.

Den morgen, die mij wekte
Begroette ik blij.
Ik had zo zacht geslapen,
En Gij, mijn Schild en Wapen,
Waart nog nabij.

From Pine-Needles (Dennenaalden, 1900)
By Nikolaas Beets
Translated by Tanis Guest