Notice to Travellers

They open and close you
then they talk like they know you
they don’t know you

Joni Mitchell

Within me there’s a sea and that is me.
It’s ten years now since I last saw myself.
Each time I journey to me, half-way there
I turn around and come back empty-handed.
Somebody says it really is enough
to make me weep, but where
can a sea shed tears? Somebody else
is jealous. He says: ‘You at least
have got a story.’ Foam floats
through his field of vision. I repeat:
the sea has got no story.

Within me there’s a distant city. That’s
where I must go. But everything is long
ago and maybe, when I’m there,
I’ll walk around, see nothing, fail to recognise
a soul and homesickness will wrack me
just as much. Within me there’s a country
I could travel to, before it
got too small, it ties in green tiles
between asphalt roads, each square beneath
the sky so empty, I keep on
getting blown back home.

Time, sea, city, country,
sky and squares are there
both day and night, some day I’ll sail
away inside my head but always
I travel with myself and I refuse
to whine point-blank: not in the train,
not on the bus, my sole trip’s plain –
to Halfway-There, to Empty-Handed
and return – no one can perish so imposingly as me. There is a sea
in me in which I drown.

Bericht aan de reizigers

They open and close you
then they talk like they know you
they don’t know you

Joni Mitchell

Er zit een zee in mij en dat ben ik.
Ik heb mezelf al tien jaar niet gezien.
Wanneer ik naar mij toe reis, keer ik
halverwege onverrichter zake terug.
Iemand zegt dat ik er eindelijk eens
om zou moeten huilen, maar waar
laat een zee zijn tranen? Iemand
anders is jaloers. Hij zegt: ‘Jij hebt
tenminste een verhaal.’ Schuim
drijft door zijn blikveld. Ik herhaal:
de zee heeft geen verhaal.

Er zit een verre stad in mij. Daar
moet ik heen. Maar alles is zo lang
geleden en misschien, als ik er ben,
loop ik wat rond, zie niets, herken
geen mens en huilt mijn heimwee
even hard. Er ligt een land in mij,
daar kon ik vroeger reizen maar het
werd te klein, het ligt in groene tegels
tussen asfaltwegen, ieder plein onder
de hemel is zo leeg, ik waai steeds
weer terug naar huis.

De tijd, de zee, de stad, het land,
de hemel en de pleinen zijn er
dag en nacht, ik moet eens lekker
weg in eigen hoofd maar altijd reis
ik met mezelf mee en ik ben klaar
met het gedrein: niet in de trein,
niet met de bus, alleen naar
Halverwege Onverrichter Zake
en terug — niemand kan zo groots
vergaan als ik. Er zit een zee
in mij en ik verdrink.

From Shadow Accounting (Schaduwboekhouding, 2005)
By Ingmar Heijtze
Translated by John Irons

First published in The Low Countries, 2006