Snow

The snow’s too white for walking in.
Only an animal, with light step
and delicate hooves, should tread there,
under the heavy-laden trees
picking its way over the buried ground.
That would just enhance the stillness.

Only a bird whose raucous screech
prevents the winter sinking down
into the purest innocence,
flying up out of the stillness,
should, now the heavens rest after their bleeding,
make this whole expanse re-echo.

 

Sneeuw

De sneeuw is te wit om in te lopen.
Alleen een dier, met fijne hoeven
en lichte tred, zou ‘t mogen,
om onder de beladen bomen
op de bedolven grond zijn weg te zoeken.
Het zou de stilte nog verhogen.

Alleen een vogel die de winter
verhindert met zijn hese schreeuw
in louter onschuld te verzinken,
opvliegend uit het hart der stilte,
zou nu de hemel uitrust van het bloeden,
de ruimte mogen laten klinken.

From Collected Poems (Verzamelde gedichten. Amsterdam: Van Oorschot, 1992)
By Adriaan Morriën
Translated by Tanis Guest

First published in The Low Countries, 2003