[In spaces spiders creep]

In spaces spiders creep between the pipes.
I want to crush the beast that mars me so.

Tongue flays itself on quirk of ivory reefs.
Brain wrack themselves for source of sustenance.

I want to rip the plasters from the drains.
The thing that stills me smoulders in the corner.

Cheerfully I want to pour despair more wine.
What can is bound to be and worse than thought.

I want away and nowhere to move on.
I seek a sheltering spot to lay me down.

I shall effect a feast that pleases me.

 

In ruimten kruipen spinnen tussen buizen.
Ik wil het beest verslaan dat mij vergalt.

Tong slaat zich rauw op gril van elpen klippen.
Hoofd breekt zich over bron van lijfsbehoud.

Ik wil de pleisters van de goten rukken.
Het voorwerp dat mij stilt smeult in de hoek.

Blijmoedig wil ik wanhoop wijn inschenken.
Wat kan zal ooit en erger dan verwacht.

Ik wil ver heen mij nergens voort bewegen.
Ik zoek een bergzame plek om neer te zijgen.

Ik zal een feest begaan dat mij bevalt.

From Surly and without Hate (Nors en zonder haten. Amsterdam: Meulenhoff, 1999)
By Piet Gerbrandy
Translated by Tanis Guest and Piet Gerbrandy

First published in The Low Countries, 2001