The Train

One day when I was travelling
Out of town, and sitting in the train,
And there in silent resignation
Patiently waited till the time
– By the slow progress of the clock –
Should come for my train to depart,
It happened that a train was switched
Into the platform next to mine
And passed my window. I well knew
The strange effect that this could have,
But to my wayward eye it seemed
That my train was moving forward
Past that other, alien train,
Which didn’t seem to move at all.

When I just kept moving onward
– But knew I hadn’t moved at all –
It grieved me that my sense of sight
Deceived me so in broad daylight,
And that my knowledge could not counter
My eyes’ stupid trickery.
And in despair at that illusion
I shut my eyes tight as I could
And I pleaded: ‘Train, stand still!’
With all the passion I could muster..
But for all my efforts, all my pleas,
I couldn’t get that train to stop.

When someone is so sure of something
He almost feels it in his hands,
Sees it happen before his eyes,
And then thinks: it isn’t so,
He feels so weary and so low,
He doubts the whether and the how,
Despairs of everything he sees
Whether it be real or no,
In the end he’s lost all certainty
Of what is and what is not.

That morning as I journeyed I
Addressed my soul after this wise:
‘The foolish thing I did just now
Was, that by a fleeting thing,
Which had no rest or permanence,
I judged the rest and permanence of things.
So, my soul, if you should doubt
Your own permanence or being
Amid a fluid, fleeting world,
Seek your certainty in God,
The one forever stable point
On which you can fix your gaze.’

 

De spoortrein

Eens op een dag, toen ik de stad
Verliet en in den spoortrein zat,
En daar in stille lijdzaamheid
Geduidig wachtte tot de tijd
— Bij ’t langzaam voortgaan van de klok —
Zou komen, dat mijn trein vertrok,
Geschiedde ’t, dat in ’t naaste spoor
Een trein rangeren ging en voor
Mijn venster schoof. Ik kende wel
De vreemde werking van dit spel,
Maar ’t scheen mijn onbetrouwbaar oog,
Alsof mijn trein zich voortbewoog
Voorbij dien andren, vreemden trein,
Die onbeweeglijk bleef in schijn.

Toen ik nu al maar verder reed,
— Ik wist toch, dat ik dat niet deed —
Werd ik bedroefd, dat mijn gezicht
Mij dus bedroog in ’t volle licht,
En, dat mijn inzicht niets vermocht
Tegen dit dom gezichtsbedrog.
En in mijn wanhoop om dien waan
Heb ik mijn ogen dichtgedaan,
Heb ik gebeden: ‘Trein, sta stil!’
Met al de hartstocht van mijn wil…
Maar, wat ik smeekte, deed of dacht,
Ik heb hem niet tot staan gebracht.

Wie iets zo zeker weet en vast.,
Dat hij het haast met handen tast,
Het voor zijn oog gebeuren ziet,
En dan bedenkt: het is zo niet,
Die voelt zich zeer bedroefd en moe,
Die twijfelt aan het of en hoe,
Die wanhoopt aan het al of niet
Van alle dingen, die hij ziet,
Die is op ’t eind de zekerheid
Van alle zijn en niet zijn kwijt.

Dien morgen sprak ik op mijn reis
Tot mijne ziel op deze wijs:
‘De domheid, die ik straks beging,
Was, dat ik aan een vlottend ding,
Dat zelf geen rust of vastheid had,
Der dingen rust en vastheid mat,
Dus zoek, indien gij twijfelt aan
Uw eigen vastheid of bestaan,
Te midden van wat vloeit en vlot,
Mijn ziel, uw zekerheid in God.
Het enig, eeuwig vaste punt,
Waar gij den blik op richten kunt.’

From Fractured Colours (Gebroken kleuren)
By Jacqueline E. van der Waals
Translated by Tanis Guest

First published in The Low Countries, 2006