Two Poems

Rules for the End of Time

The New Jerusalem will no doubt have opened at last
so you’ll all sit, serene, each under your own tree
and dying as a word will be extinct, and births

won’t be an issue any more. But honour them still,
the caresses, melancholy, in some sense
unsuspecting, so fingertip-light they scarcely cut at all.

You needn’t know what use they were, just be
sure of this: ending something imminent,
which if it persisted would have become activity

and have brought old bleakness back into the world,
is all that offers what it evokes a way out, calmly,
in the suppressed inaction that sometimes churns your

fleshy heart, a small brown mouse. Time is fog.
We were mistified, cord-tied. Don’t look! Futures
have yet to exist. Think hard, of nothing else

but of the caresses, wistful, which are salvation.

Regels voor het einde der tijden

Het Nieuwe Jeruzalem zal wel eindelijk zijn geopend
dus jullie zitten vredig ieder onder je eigen boom
en doodgaan is een uitgestorven woord, van geboorten

zal het ook niet meer komen. Houd ze in ere evenwel
de liefkozingen, de melancholieke, in zekere zin
argeloos zo vingertop-lichte, die amper kervend zijn.

Je hoeft niet te weten waar ze toe dienden, wees alleen
ervan doordrongen: beëindigen, van iets te wachten
staands, dat als het volhardde, ging gebeurend worden,

oud mistroostigs in de wereld had teruggebracht,
biedt als enige aan wat het oproept uitkomst met bedaren
in het dadenloos verzwegene dat soms je vlezen hart

doorwoelt, een kleine, bruine muis. Tijd is mist.
Wij waren beneveld, benaveld. Kijk niet! Toekomst
heeft nog nooit bestaan Denk met kracht, en uitsluitend,

aan de liefkozingen, weemoedige, die redding zijn.

From Drift Ice (IJsgang, 2006)
By Anneke Brassinga
Translated by Paul Vincent

 

Chance to Take Leave

Seeing the face (no more a visage since
bereft of vision) of one who left havoc behind,
magnificent vagueness tightly confined
between tongue root and cranium, I see her where

she was: in phantom landscape a recluse.
Could dying be an indrawn breath in which
suddenly one takes in the whole firmament?
Serenity, unequalled in simplicity,

lets one take one’s leave. A coffin is a close
cradle. But how the hell can one traverse
the wilderness that vanished from her sight,

how do I find the spot there to scatter
dust, returned to dust and ash and tears?
I kiss my own death now, exploit my phantom fears.

Gelegenheid tot afscheidnemen

Ziend het gelaat (gezicht niet meer want niet
meer ziend) van wie liet varen een ravage,
weidse onbestemdheid krap bemeten
tussen tongbed en schedeldak, zie ik haar waar

zij was: in waan van landschap kluizenaar.
Is dood gaan soms een ademtocht waarbij
men onverhoeds de hele buitenhemel binnenhaalt?
Gelatenheid, in eenvoud ongeëvenaard,

laat afscheid van zich nemen. Innig is een kist
als wieg. Maar hoe in godsnaam te begaan
de wildernis die uit haar zicht verdween,

hoe vind ik daar de plek om uit te strooien
stof, weergekeerd tot stof en as en traan?
Ik kus mijn eigen dood, ontgin mijn eigen waan.

From Watchwords (Wachtwoorden, 2005)
By Anneke Brassinga
Translated by Paul Vincent

All poems first published in The Low Countries, 2010